Pardon, Wendy. Pardon.
Tot ik ineens een brief kreeg van prutsimus. Om te zeggen dat ik moest betalen: 45,60 euro. Want beste mevrouw, u heeft ook dit jaar nog elf dagen op onze telefoondraad zitten hurken. Het leek mij onwaarschijnlijk, maar voor de lieve vrede heb ik mijn princiepsgepiep gestaakt en toch gestort. Twee weken later kreeg ik een nieuwe brief van prutsimus. Om te zeggen dat ik moest betalen: 10 euro. En toen heb ik kwaad naar Wendy van de facturatiedienst gebeld.
Met Wendy, sprak het lieve kind. Ik bel voor uitleg, bitste ik. Prutsimus had mij een stuk of wat brieven gestuurd, verklaarde Wendy en ze somde de datums op, samen goed voor tien euro. Kon mij allemaal niets schelen! Wendy mocht vooral niet denken dat ik, notabene bedeesmees, de postzegels van prutsimus ging betalen! Trouwens, ik had al lang betaald. Wat dacht Wendy wel! Als we zo gingen beginnen, konden we wel bezig blijven.Tien euro alstublieft voor drie armzalige postzegels! Ik denk er niet aan, Wendy. Kom mij anders maar halen! Wendy!
Ik slingerde als een wilde door de boomstructuren van Wendy. Het lieve kind kon niet meer volgen. Na de woordenreeks ‘uw papiernest’ en ‘mijn schuld niet’, heb ik vakkundig ingehaakt. Daarna kwam het schuldgevoel. Wendy’s doen ook maar hun werk uiteraard. Bovendien was het misschien wel nacht in India in plaats van middag in het callcenter. En misschien heette Wendy eigenlijk Kavitha.
In gedachte zag ik Katvitha in een gekleurde sari de laatste muffe bus naar New Delhi nemen om er de hele nacht met Brussel aan de lijn te hangen. Ik heb meteen tien euro overgeschreven naar prutsimus. In het vakje van de mededeling heb ik geblokletterd: ‘Pardon Wendy, pardon.’ Ook al is Wendy écht Wendy en werkt ze desnoods toch in Diegem.

