Het geduld van Walter Grootaers
Hoelang doet gij dit al? vroeg laatst iemand na een interview. Tamelijk akelig. Vragen zijn slecht voor de oriëntatie. Ik ben het niet gewoon om zelf antwoorden te geven. Bovendien waren de vragen vroeger veel frisser. Gaat gij hier nu later uw beroep van maken? sprak tenminste nog hoop uit. Ik denk dat het komt omdat er deze dagen dikke vermoeienissen onder mijn nieuwsgierig blik hangen. In het fin de siècle van 1998 rook ik nog naar rozenwater. Ik hobbelde bij wijze van spreken met een staaf stoepkrijt in mijn zakken door het land van inkt en vitriool. Lang geleden. Geen besef.
Mijn rubriekje heette Het lievelingsvoorwerp van… en het verscheen iedere zaterdag in de vastgoedbijlage van Het Belang van Limburg. Mijn moeder knipte alles uit. Walter Grootaers was de eerste die iets tegen mij wilde zeggen. Herman Brusselmans wilde niet. Voortaan wil ik alleen nog over boeken praten, zei hij aan de telefoon. Ja maar, wierp ik op, maak dan van die boeken uw lievelingsvoorwerp en we zijn gesteld. Haha, zei Herman Brusselmans, maar nee bedankt.
Veel mensen van de pers laten hun carrière beginnen bij opstellen over herfstwandelingen à la Er waren blaren in alle kleuren. Aan mij was het niet besteed. Ik heb nooit een roeping gehoord. Ik wilde later in de dierentuin gaan werken. Het begon met Walter Grootaers in november ’98, per ongeluk en bij volharding. Voor één interview had ik hem wel tien keer gebeld op zijn mobilofoon. Tot hij op een kruispunt in Lier door de knieën ging. We spraken af in Het Hoeveke. Het was goed, hij zou een paar sjieke platenhoezen meebrengen voor op de foto.