De terreur van het smoske
Al etend stroomt bloed naar maag en darmen. Al vergaderend stroomt bloed naar hoofd en hersenen. Het smoske maakt er een potje van. In de controlekamer is het alle hens aan dek. Rode bloedcellen rennen zich de benen onder het lijf vandaan. Bootjes met enzymen kapseizen in de wildwaterstroom van maagsap. Slimme ideeën lopen al mank voor ze over je tong naar buiten zijn gehobbeld. Verwarring in alle bloedvaten. Bomalarm in de gelederen. Met dank aan de smoske op de vergadertafel.
Na de meeting zijn er twee uitkomsten. Of je weet niet meer hoeveel broodjes je naar binnen hebt gewurmd. Of je bent vergeten waar het over ging. Gesmaakt heeft het nooit. En als het toch heeft gesmaakt, heeft de conventie tot niets gediend. Vergaderingen zijn tenslotte niet bedoeld om van de broodjes te genieten.
Bescheidenheid noopt de hand in eigen boezem te steken. Het smokse zou best terreur kunnen zijn op maat van mij alleen, maar dat is het niet. Het smoske is een verschrikking voor de hele mensheid. De geschiedenis levert de bewijzen. Een oorlog win je niet met een club kaas in de hand. Niet op het strand van Normandië. En niet in de meetingroom op de tweede verdieping. Op belangrijke momenten worden er geen smoskes gegeten. Nooit.
Herinner je de woorden van moeder: “Na het eten moogt ge niet gaan zwemmen. Ge moet eerst een uur wachten. Tot uw buik klaar is, uw armen en benen niet meer slap zijn.” In de jaren ‘80 wilde ik het niet geloven, nu weet ik dat het waar is. Lunchvergaderingen zijn hetzelfde als met een boterhammendoos op de wipplank staan. Het smoske is een bom onder ieders carrière. Het leidt de aandacht af. Vandaar dat ik heb besloten om me niet meer te laten foppen. Wie een broodje wil eten, maakt zich bij voorbaat verdacht. Tenzij de vergadering wordt belegd om onnozele dingen te bespreken.
(eerder verschenen in Vacature)






