Puf. Het wil vandaag niet lukken
De kleine fantasiefabriek
wordt soms ambachtelijk gesleur,
ik red het niet met retoriek,
mijn glimlach is een mondhoekscheur.
-hugoo
De kleine fantasiefabriek
wordt soms ambachtelijk gesleur,
ik red het niet met retoriek,
mijn glimlach is een mondhoekscheur.
-hugoo
Op ellendige dagen is het altijd een goed idee om in de krantenarchieven te zoeken op trefwoord surinami. Om zo volgend stukje meesterwerk terug te vinden in Het Laatste Nieuws. Marnix Peeters maakt een opmerking. Eduard Van De Walle uit Ertvelde antwoordt.
U draagt een armbandje van Make Poverty History, zie ik.
«Ja. Ik ben tegen armoede. Altijd. Ik zou graag iets willen doen voor de arme kinderen. Ik heb al veel gedaan voor de maatschappij, in België, en in de wereld. Ik heb achttien benefiets gedaan voor de surinami. Gratis. En ik ga veel zingen voor de dode mensen. Allez: juist voor ze sterven. Dat de mensen mij bellen en zeggen: ‘Grootmoeder ligt op sterven, en zij wil Eddy Wally nog eens zien’, en dan haast ik mij ter plaatse. En enkele dagen later bellen ze opnieuw: ‘Grootmoeder is dood, wel bedankt, Eddy Wally’.»
Er zat een mol in de moestuin. Johan wilde hem eerst zelf mollen, maar het lukte niet. Kwam door de buurman. Iedere ochtend als Johan stelling nam met de schop, klaar om bij de minste beweging toe te slaan, bewogen de gordijnen bij de buren en kwam de buurman buiten. Sociale buurman, hardhorig bovendien. Plezant hé, dat nieuwe klimaat, schreeuwde hij vlakbij het oor van Johan. Natuurlijk dat de mol het ook hoorde. Mollen horen goed. Omdat ze niet zien. En dus liet de mol zich niet zien. Van ellende ging Johan terug naar binnen.
Het schoot niet op met de mol. Hij woelde de bedjes van jonge sla overhoop. Daarom had Johan Kristien naar het tuincentrum gesommeerd om iets te halen. Moet hij dood of wilt ge hem laten leven?, had de man van het tuincentrum gevraagd. De mol moest dood. Omdat Johan en Kristien niet goed wisten wat ze met een levende mol moesten. Ze zagen zich bij nacht en ontij al door het dorp rijden met een kartonnen doos op schoot om de mol in een andere hof uit te zetten. Kortom, er zaten puntige tanden in de moestuin nu. De veer stond strak, maar voorlopig bleef het afwachten.
Kristien vertelde van de mol en de moestuin aan de keukentafel. Het was een gezellige middag, ondanks de voorbedachten rade. Ik heb alles opgeschreven, met vulpen, op dunne crèmekleurige blaadjes, in een boekje met een zwarte elastiek en een geheim vak achteraan. Als ik ergens op bezoek ga ik het bijna altijd prijs. Ik drink een sloot koffie, neem afscheid aan de deur, zit daarna voor dezelfde deur notities te nemen in de auto. Het is een soort dieverij, maar ik kan het (op gevaar dat ik stilaan nooit meer ergens op bezoek mag) niet laten. Desnoods beroep ik mij op mijn beroep. Alle sjieke zinnen zijn van mij. Ik bewaar ze in notitieboekjes met een jasje van mol. Echt! Het boekjesmerk heet Moleskine, wat raar Engels is voor mollenvel.
Het mag wat kosten trouwens zo’n Moleskine. Twaalf euro én meer voor 192 bladzijden. Komt bij dat de Moleskine een klassieker is voor intellectuelen. Ernest Hemingway kribbelde Moleskines vol. Louis Ferdinand Céline ook. En Henri Matisse. En Bruce Chatwin. Je kunt maar beter geen prullen opschrijven in boekjes met een jasje van mol. Een mol laten sterven voor een paar aardse onbenulligheden, dat doe je niet. Geen ijdele gesprekken dus in een Moleskine, geen loze praat, geen boodschappenlijstjes en al helemaal geen fallisch gedroedel.
Zo komt het dat mijn allereerste Moleskine een heel kalenderjaar onbeschreven in mijn verzamelde sacochen heeft rondgezworven. Er was geen enkele zin die goed genoeg was. Gelukkig heb ik intussen alle valse bescheidenheid laten varen. Het maakt niet uit wie ik moet interviewen. Iedereen gaat de Moleskine in. Graag zelfs, want het zwarte pelsje en de cèmekleurige bladzijden getuigen van kwaliteit. Het papier is sjiek en daarmee de zinnen die erop staan ook. Moleskines zijn een zaak van marketing. Ik moet er alleen niet bij vertellen dat drie pagina’s eerder schielijk een mol is overleden in de moestuin.
(eerder verschenen in Vacature)

(en wel in de hondenmand van de Brakke Hond)
Ik schreef verkeerdelijk dat Fokke en Sukke twee bepiemelde eenden zijn uit het NRC. Dat van die piemels en het NRC is waar, maar één van de twee is een kanariepiet in plaats van een eend. Met dank aan T., de man met de rommelige Freelander. Fokke is de eend. Sukke de kanarie. En cloaca’s hebben ze ook. Ten bewijzen:

“Niks”, zei ik. “Ik ga gewoon werken. Het is vergadering. Kan ik nog eens met de mensen praten.” Mijn zuster zuchtte. “Goed, dan komen we zondagmiddag brunchen. Zorg dat ge iets in huis hebt. Een taart op zijn minst. Het is uw verjaardag.” En dus heb ik zaterdag tot diep in de nacht gedweild, gewrongen en gestofzuigd. (Tante Annie zou niet willen dat haar petekind zich zou verslikken in de pluizen onder tafel.) Zondagochtend stond ik een beetje treurig aan te schuiven bij de bakker. (Vlaams-Brabant heeft geen verstand van Limburgse vlaaien.) Maandag zat ik in het geniep jarig te wezen op de vergadering. (Zonder taart en zonder pralines.) Professioneel ontsnap ik al mijn hele carrière aan traktaties. Alleen mijn familie blijft volharden in de vrolijkheid.
“Niks wat plaats inneemt. Ik heb alles al”, antwoordde ik. “Ik wil alleen nog inhoud. Ik zal u anders wel een paar titels mailen.” Mijn moeder zuchtte. Ze zag zichzelf alweer naar de boekwinkel stappen met een post-it aan bestellingen: de catalogus van Erwin Wurm (bestaat wél echt, wat de verkoper u ook zegt), de nieuwe van Amélie Nothomb en eventueel de vogelgids van Hans Dorrestijn. (Ik som vrijblijvend op. Je weet nooit dat er Vacaturelezers zijn die inzitten met mijn blijdschap.) “Inpakken?” “Ja, cadeaupapier.” Gelukkig dat de tijd van wilde muziek voorbij is. Op vroegere verjaardagen dook mijn mijn moeder steevast in de platenwinkel op met papiertjes van In Utero (Nirvana) en Pretty Hate Machine (Nine Inch Nails). De platenboer viel van de ene verbazing in de andere. Mijn moeder was zich van geen enkel kwaad bewust. Ook niet toen er op een mooie verjaardag Die Laughing (Therapy?) op het gedicteerde briefje stond.
Echte oude tantes zingen nu waarschijnlijk in tremolo: “Maar kind, wat dwaalt gij! Ge moet in mensenjaren tellen, niet in hondenjaren. Voor dertig jaar doen wij onze jas zelfs niet meer uit.” Het kan me niet op andere gedachten brengen. Al verjarend raak ik mijn talent kwijt, krijg ik ervaring in de plaats. Het doet me denken aan een leeg glas limonade en een snor van suiker. En God beware mij de tijd dat jonge talenten elkaar op de vergadering zullen aanstoten om op te merken dat de ouwe persrat een échte snor heeft onder haar neus…


Fokke & Sukke zijn twee bepiemelde eenden uit Holland met een rubriekske in het NRC. Dees dagen worden ze rijk met hun geschiedenisboek: De historische canon van Fokke & Sukke. Een deel daarvan valt gratis van internet te sleuren. Ik snap niet alles even goed, maar deze (over de individualisering van de maatschappij sinds 1948) wel.
