Saturday, October 20, 2007

Veilig in de lift

Groot spektakel in 1853 op de wereldtentoonstelling van New York. Een man met een baard hangt veertien meter boven een menigte met zwarte hoeden. Elisha Graves Otis heet hij en hij spiedt met kleine oogjes naar beneden. De open liftkooi wordt verder omhoog getakeld. Weest welkom op de formidabele demonstratie van het wonder van het verticale vervoer, stond er op de affiche. De zon scheen warm door het glazen dak van Crystal Palace.

En nu, riep mister Otis, zal ik de touwen met deze bijl doorhakken! Zodat ge zelf kunt zien hoe veilig mijn liften zijn! Het volk hield verschrikt de adem in en de man met de baard viel naar beneden. Tien centimeter. De klauwen van de lift klapten naar buiten en haakten zich vast in de rails. De genaamde Elisha Grave Otis was de uitvinder van de liftrem.


Meer dan 150 jaar later zijn liften nog altijd uitgerust met de klauwen van Elisha Graves Otis. Een mens staat er niet bij stil. Alleen heel soms beeld ik me in hoe het zou zijn om de hele dag met een wildvreemd gezelschap opgesloten te zitten in de lift. We zouden kennismaken met elkaar, boterhammen delen en van hetzelfde flesje Vittel drinken. En ojee, hoe zou het zijn als iemand naar het toilet zou moeten. Zou de man in Zegna dan discreet proberen te hurken in een hoekje van de lift? En in welke verwilderde staat zou de liftmonteur de corporate collega’s aantreffen na 24 uur 5 vierkante meter! Maar zoals gezegd, meestal vraag ik me zulke dingen niet af. Ik hang het knopje aan met de twee pijlen naar binnen toe. De deuren moeten dicht, voor zes kostbare verdiepingen quality time.

Wat kan een mens met de eenzaamheid van zes verdiepingen? Al naargelang zijn geslacht, aan iets krabben of een boezem opschudden. Uniseks kan hij in de spiegel zijn gebit controleren op groene stukjes tussen de tanden. Hij kan kijken of hij nog kleingeld heeft voor de wafelautomaat. Hij kan merken dat er een vlek op zijn jasje zit om vervolgens met eigen speeksel één en ander te verhelpen Hij kan het beslag op zijn tong interpreteren. Voorts is er mogelijkheid tot het uitknijpen van puskopjes.
Het is daarbij raadzaam het ritme der verdiepingen in de gaten te houden. Voor je het weet sta je met je mouw de spiegel schoon te vegen als de lift stopt op het derde voor een tweede passagier. Die overigens geen enkele reden heeft om lacherig te reageren.

Ik ben niets speciaals. Veel mensen zitten graag alleen in de lift. Waarvoor dienen anders al die pijlenknopjes. Ik ken bedrijven met meer dan 5000 mensen waar de baas iedere ochtend op zijn zeven verdiepingen quality time staat. Als hij op 7 drukt, sluiten de deuren vanzelf en zoeft hij rechtstreeks naar boven, geprogrammeerd zonder te stoppen. Je vraagt je af waar sommige mensen zeven verdiepingen tijd voor nodig hebben. Kortom, het is goed dat liften zwijgen. In de lift van Elisha Graves Otis zijn we allemaal veilig.

Posted by An Olaerts at 09:53:06 | Permalink | No Comments »

Monday, October 15, 2007

Nummer 0475/68.34.96

Ik stond in een dure schrijfboetiek op de Toison d’or in Brussel, zo eentje met dik kamerbreed tapijt waar ze roomkleurig papier verkopen, kalfslederen dagboeken en vulpennen met schrijfpunten van 18 karaat. En daar wilde ik een kaartje uitdelen. Terwijl mijn kaartjes al wekenlang op zijn.

Eerst had ik geprobeerd het allerlaatste exemplaar uit mijn portefeuille te pulken. Maar toen ik het te pakken kreeg, scheurde het af tussen mijn vingers. Daarna sloeg ik onomkeerbaar aan het behelpen met een notitieboekje uit de Carrefour en een balpen van Vredeseilanden.
Skrutsj. Het ruitjespapier scheurde over de hele lengte af langs de spiraal. Alstublieft, zei ik, het is niet bijster professioneel, maar het staat er wel allemaal op, naam, telefoon en e-mail, netjes op schrift. De meneer lachte. Wat moest hij anders. Het was zo al gênant genoeg.
De letters van meneer zelf stonden in reliëf gedrukt. Je hoefde niet te kunnen lezen om te weten dat er met meneer niet te lachen vielen. Ik probeerde me niets in te beelden terwijl ik aan zijn korstjes voelde en haastte in de regen terug naar huis. Klaar om een nieuwe voorraad kaartjes door de printer te jagen.

Het pakket om kaartjes te maken lag op tafel. Ik heb namelijk geen office manager om driemaal daags in de billen te knijpen. Ik druk mijn kaartjes zelf. En wie daar meesmuilend over durft te doen, zal ik op passende wijze een neus zetten. Maar eerst meer over de titel die er op de kaartjes moest komen. Daar bestond aarzeling over. Zeker sinds ik had gelezen wat George Bernard Shaw over titels te melden had. Titles distinguish the mediocre, embarass the superior, and are disgraced by the inferior. Vrij vertaald: het is nooit goed.

Eerst dacht ik aan Schrijverij. Omdat er iets ambachtelijks in doorklinkt. Verder associeerde ik het woord met Zagerij. Sommige interviewees zijn namelijk erg bedreven in de stiel. Uiteindelijk heb ik afgezien van de geheime onwellevendheid. Tenslotte moet ik de wereld en de mensen onbevangen tegemoet treden. Daarna wilde ik Voor al uw schrijfwerken titelen. Ook dat werd niets. Het deed te veel denken aan Jacobus en Corneel, aannemers van alle werk, in de jaren ‘80 bij de openbare omroep.. Kortom de nieuwe kaartjes kwamen zonder iets opsmuk.

Wél voorzag ik in twee reeksen kaartjes. Op serie één drukte ik de juiste gegevens, op serie twee de verkeerde. Respectievelijk voor sympathieke en andere contacten. Voor de goede orde, dit soort van vermomde boosaardigheid is niet mijn eigen uitvinding. Ik zou er zelf nooit opkomen. Ik heb de truc geleerd van een plant manager waar ik ooit naast aan tafel zat. En die had het te danken gehad aan een slordige office manager.
In ieder geval, mensen die een business card met nummer 0475/68.34.96 in hun bezit hebben, zijn eraan voor de moeite. De persoon die wel te contacteren valt op het nummer, mag zich melden. Wij gaan een koffietje drinken om u te bedanken voor de geleden miserie.

(eerder verschenen in Vacature)

Posted by An Olaerts at 08:24:57 | Permalink | Comments (2)

Monday, October 8, 2007

Tante Monique aan de kassa

Was het nu Mark Eyskens die niet graag boodschappen deed? Het was jaren geleden dat hij in de GB geweest was, vertelde hij in een interview. Hij had er een hekel aan en daarom kwam hij er niet. Bijna nooit niet. Zijn echtgenote deed de inkopen en hij schreef de haiku’s.

Zalig, zee van zilt en zwijgen!
Ik hoor je golven hijgen
en het bruisen van je koortsigheid.
Geen enkel lied kent deze majesteit.

 

Ik doe ook niet graag boodschappen. Het verschil tussen mij en Eyskens is alleen dat ik het mij niet kan permitteren. Ik sleep mezelf haast iedere zaterdag naar de GB. Eventuele haiku’s bedenk ik onderweg.

Cif en toiletpapier
(dat zachte met het hondje)
vuilniszakken ook.

Maar vorige zaterdag was alles anders in de GB. Tante Monique zat achter de kassa en een hele rij klanten stond verbaasd te lachen tussen de pakjes kauwgom. Meestal zeggen caissières niet veel. Ze scannen de dingen troosteloos. Hun schouders zitten vast van de stress. En de flinterdunne draagtasjes plakken altijd, altijd aan elkaar. Nee, caissières beleven ’s zaterdags nooit de lol van hun leven. Tante Monique wel. Ze duwde op het pedaal van de band, een krant schoof vooruit en en Tante Monique begon. Dat ze de krant in stukjes en beetjes las, terwijl hij de hele morgen voorbij piepte. Tante Monique lachte luid. De klanten lachten stilletjes.

“Ik koop geen krant”, zei tante Monique, “en naar het nieuws kijk ik ook niet. Altijd dezelfde miserie. Ik heb wel een televisie hoor, maar die staat altijd op TMF. Hard! Muziek moet klinken, vind ik. Het poetst ook beter. Ik heb graag laweit. Gelukkig heb ik goei buren, Turken aan twee kanten. Heel lieve mensen. ’s Avonds doen ze het licht aan van boven tot beneden. Het is een teken dat ze niet slapen. Hoef ik TMF niet af te zetten. Wel raar dat ze zo laat gaan slapen. Die kleintjes ook. Laatst belden ze aan de deur. Toen ik opendeed schoten ze van schrik bijna de brievenbus in.” Tante Monique lachte hard. Een fles Cif piepte voorbij.

“Mevrouw”, zeiden de Turkse buurkinderen, “mogen wij noten komen rapen in uw tuin?” “Natuurlijk”, zei Tante Monique. “Dus die kinderen terug naar huis voor mandjes en nog andere kinderen. En maar rapen. Ik heb twee grote bomen in mijn hof, met veel dikke noten. Ik krijg ze van mijn leven zelf niet op. En schoon van tint dat ze zijn dit jaar. Ik heb het dochtertje van mijn zuster wijsgemaakt dat ik ze zelf geschilderd heb. Hahaha. Amaai Tante Monique! zei ze, hebt gij daar dan veel werk aan gehad? Heel veel werk, Stefanieke! heb ik gezegd. Tante Monique is er de hele dag mee bezig geweest. Hahaha.” Tante Monique lachte hard. En een pak toiletpapier piepte voorbij.

“Wat een quatsch van mezelf”, ging Tante Monique verder. “En dat kind maar denken dat Tante Monique met waterverf geknoeid had. Terwijl het gewoon mijn hondje is geweest. Hij piest altijd tegen die bomen aan. Komen dikke noten van. Hahaha.” Tante Monique lachte hard. De klanten voorzichtig. En een rol vuilniszakken piepte voorbij. Soms weet Mark Eyskens niet waarover hij spreekt.

(eerder verschenen in Vacature)

Posted by An Olaerts at 09:55:46 | Permalink | Comments (1) »

Sunday, September 30, 2007

Fonny van het internet

Had ik het maar zelf bedacht. Berustte iedere gelijkenis maar op toeval. En overtroefde het verzinsel altijd de werkelijkheid maar. Een mens zou wensen dat wat hier staat gelogen is. Helaas, het is allemaal waar. Fonny van het internet bestaat écht. Hij zat naast mij in het vliegtuig naar Egypte. Vijf uur aan een stuk. Niet gespeend van enig sociaal inzicht.

We aten ieder een scheefgezakte vliegtuiglasagne op. Mijn oren staken vol elektronica. De klepjes van mijn ogen hingen vervaarlijk laag. En bij wijze van dreigement had ik de viertalige Spuckbeutel in het opbergvak al een keer opengevouwen. Het maakte geen verschil. Fonny vertelde honderduit. Dat hij Helmut Lotti kende. Dat hij op het ministerie van financiën werkte. Dat hij kostbare overuren had moeten opnemen om mee op persreis te kunnen. Dat het toch niet te geloven was hoeveel tijd zijn hobby opslorpte.

Iedere morzel verlof die Fonny op het ministerie lospeuterde ging naar het internet. Foto’s maken, foto’s opladen, verslagjes typen, energie en puf dat daarin kruipt! Een mens moet er wat voor over hebben, zei Fonny. En Fonny ging door. Dat hij blij was dat hij vastbenoemd was. Dat hij een échte job had. Dat hij goddank niet van de journalistiek hoefde te leven. Ik verslikte me in de laatste vork lasagne en Fonny van het internet klopte me collegiaal op de rug. Stulbudurvur, reutelde ik. Maar Fonny van het internet verstond me niet.

Als ze me nog eens om de oren slaan met user generated content, de doorgedreven democratisering van het internet, de teloorgang van de papieren journalistiek en het nieuwe koninkrijk van de amateur, weet ik wat ze bedoelen: Fonny van het internet.
Sommige mensen vinden dat ik een beetje op Omar Sharif lijk, zei Fonny, maar voorts moest iedereen maar voor zichzelf uitmaken of de verwarring verantwoord was.

Fonny liet me zijn perskaart zien. Het was geen échte perskaart. Daarvoor moet je de handtekening hebben van twee officiële peters. En niemand van de verzamelde beroepsjournalisten wil de peter zijn van Fonny. Fonny vond het spijtig.
Ook dat er Alphons stond in plaats van Fonny, vond Fonny jammer. Allez, Alphons, wie noemt zijn kind nu Alphons! Wat moeten de mensen wel niet denken. Precies of Fonny was een Alphons met een tuinhuisje in de spoorwegberm. Een Alphons met een engel van beton op de brievenbus. Dat soort Alphons. Daarom had Alphons besloten tot Fonny, precies hetzelfde, maar dan vrolijker. Moderner ook. En bovenal beter passend bij de hobby’s van Fonny, met name het internet, de showbizz en de journalistiek.

Intussen wemelt het online van © Fonny en All rights reserved by Fonny. Ik heb er niets op tegen, zeker niet op internet. Maar nu zat Fonny van het internet náást me in het vliegtuig. Hij legde uit dat niet iedereen hem als Fonny kent. Fonny bleek een periode te hebben beleefd waarin hij zich Al liet noemen, op zijn Engels, ook van Alphons, maar dan langer geleden. Toen er nog geen internet was, zei Fonny. Ik wou dat ik het zelf had verzonnen.

 
(eerder verschenen in Vacature)
Posted by An Olaerts at 09:54:30 | Permalink | Comments Off

Saturday, September 22, 2007

Kamermeisje met snor

De deur was niet op slot en de airco bromde. Iemand was in mijn kamer geweest. Op het bed dreven twee zwanen, vers gerold van badhanddoeken. Eronder lag een hartje, ook een worst van badlaken. De randen waren versierd met bloemetjes uit de tuin van het hotel. Naast het bed lag een briefje: It’s for my friend An. I hope you spend happy time in Egypt. Getekend Ehab, mijn kamermeisje met snor.

Ik vertrouwde Ehab niet. Ook al was hij suikerachtig vriendelijk. Ehab was arm. En dus had ik mijn laptop verborgen in de onderste la van mijn lege kleerkast. Je wist maar nooit of Ehab me in de gaten hield als ik aan het zwembad lag te puffen. Bovendien was mij een verhaal ter ore gekomen van twee Ehabs die in afwezigheid van een toerist allerlei naars hadden uitgehaald met ’s mans tandenborstel.

Het was nog in de tijd van het filmrolletje. De toerist was wezen uitrusten in een arm, maar warm land. De prijs-kwaliteitverhouding was uitstekend. Klachten waren er niet, of toch niet voor die prijs. De diarree was uitgebleven en de kamer werd dagelijks schoongemaakt. De ontgoocheling kwam toen het filmrolletje werd ontwikkeld. Tussen de vakantiefoto’s zaten twee portretten van Ehab. Eerst Ehab gewoon. Daarna Ehab met de toeristentandenborstel in zijn poep.
Komt ervan als je gerief laat rondslingeren op je kamer. Kortom, mijn laptop zat in de onderste lade. En de tandenborstel in het op de wastafel was een afleidingsmanoeuvre. Het is spijtig voor Ehab, maar in de gemiddelde toeristentrolley zitten vaak meer vooroordelen dan zomerjurken.

Rond het zwembad werd verteld dat Ehab 200 euro per maand verdiende. Daarvoor moest hij 40 dagen werken. Daarna mocht hij een week terug naar huis. Ehab woonde in een dorp op twee uur rijden van Caïro. In totaal acht uur rijden van het hotel waar hij mijn kamermeisje was, mét snor. Want in Egypte zijn er weinig vrouwen die zover van huis willen werken. Ehab had een vrouw en vier kinderen. Zelf was hij het grootste kind, lachte hij. En ik? De achttien ver voorbij en nog altijd niet getrouwd en géén kinderen. Horror in Egypte, merkte ik op. Hij vond van niet. Want ik was niet van Egypte.

Ik vroeg hoe hij heette. Ehab dus. En ik An. Hij schreef het op de achterkant van de lijst met hotelfacileiten, eerst in drukletters, daarna in het Arabisch, achterstevoren maar precies hetzelfde. Op papier stonden we naast elkaar. Hij moest erom lachen dat mijn ouders mij hadden samengevat in twee hoekige letters. In het Arabisch zag ik er zwieriger uit.  
Hij had communicatiewetenschap gestudeerd aan de universiteit van Caïro, vertelde hij. Zijn thesis ging in het Arabisch over massacommunicatie. Het had niet geholpen. In Egypte was geen werk. Treurige zaak,  zei ik. Maar Ehab wuifde mijn tiendaags volpension medelijden weg. Iedereen heeft dromen, ook in Egypte, zei hij. En weet je hoe het met Egyptische dromen gaat? Die komen soms niet uit. In de plaats was Ehab dus gewoon tevreden dat hij mijn kamermeisje was. Echt waar. Met snor.

Posted by An Olaerts at 18:36:12 | Permalink | No Comments »

Sunday, September 16, 2007

Arme Veerle

Misschien had Veerle haar eigen tarieven. Of misschien liet Veerle zich betalen volgens de barema’s van de Bond van grote en jonge gezinnen, maar genoeg kan het nooit geweest zijn. Veerle was een sweatshop in haar eentje. Het was een geval van binnenstebuiten gedraaide kinderarbeid. Mijn zuster en ik waren bikkelharde klanten. Zonder fatsoen en met veel eisen. En zoals dat meestal gaat met moeders, had ook mijn moeder niks in de gaten. Er is geen liefde zo goedkoop als de liefde voor het eigen kind. Vraag maar aan de babysit.
Ik besterf het als ik ooit nog een keer oog in oog kom te staan met Veerle. Post datum zal ze wellicht niets meer laten blijken, maar dat maakt het alleen gevaarlijker. Mensen die zwijgen en er het hunne van denken, zijn over het algemeen zeer in de smiezen te houden.
In het bijzijn van Veerle maakt het niet uit welke beroepsernst ik mezelf heb aangemeten of welke reputatie ik heb bijeen getypt. Veerle weet waar ik vandaan kom. In de jaren ‘80 is ze afgedaald naar mijn diepste ongemanierdheid. Voor een appel en ei, een zak chips en een liter cola.

De fles cola stond klaar op het salontafeltje. De zak chips lag ernaast. Mijn zus en ik hadden onze voorzorgen genomen. De babyfoon stond verdekt opgesteld achter de zetel. Zodra de deur dichtsloeg achter mijn ouders, begon voor Veerle de miserie. Ze kreeg niet eens de tijd voor één flinter chips of daar woei door de babyfoon: Veerle, breng de chips naar boven. En de cola ook. We gaan pastoorke spelen.

De procedure was simpel. In de badkamer werd Veerle gesommeerd om de peignoir van mijn vader aan te trekken. Niet bepaald een exempel van welriekend goed, maar dat was pech voor Veerle. Er was geen ander kazuifel. Mijn zus en ik namen als misdienaars genoegen met ons eigen nachtpon. Veerle moest voorlezen uit de kinderbijbel, en snel, want dat hele evangelie kon ons tamelijk worden gestolen. Mijn zus en ik waren in de eerste plaats geïnteresseerd in de communiegang.

Achter de rug van Veerle bereidden wij het lichaam en het bloed van Christus, in casu cola en chips. Mijn zus sloeg bij wijze van plechtige consecratie op het deksel van een pan, Veerle maakte op commando een kruisteken en de zelfverklaarde misdienaars gingen gulzig te communie.
We speelden pastoorke tot alles op was. Desnoods ging Veerle voor in vier eucharistievieringen achter elkaar.  Soms werd Veerle er een beetje mistroostig van. Op zijn zachtst gezegd. Want ik ben ter bescherming van mijn cv niet bereid om álle strapatsen uit de doeken te doen.

Mocht arme Veerle Noël Vaessen-gewijs een boek over mij publiceren, ik zou er niet goed van zijn. En mijn zus ook niet. Een smet op onze loopbaan zou het zijn. Want het is een dwaling om te denken dat uw loopbaan pas begint als uw eindwerk klaar is of uw peer gestoofd. Let voortaan maar op voor uw eigen arme Veerle.

Posted by An Olaerts at 09:39:34 | Permalink | No Comments »

Monday, September 10, 2007

Drie Poolse neven

De deur is op slot. De gordijnen zijn toe. Dat ze niet meer afkomen. Ik drink de porto zelf wel uit. Met hun eindeloze gezemel, hun liedjes en hun openvallende jurken. Precies of mij het wat kan schelen dat iemand geen beha draagt.
Aan mij was hun tochtige lijfelijkheid slecht besteed, maar ze bleven komen. Ze vonden me vast een uitdaging. De Muzen hijgden in mijn oor tot ik er ontstekingen van kreeg.  Voortaan krijg ik liever drie Poolse neven op bezoek, ijverig en betrouwbaar.

Met die Muzen was het altijd wat. Soms kwamen ze met zijn drieën aanwaaien, soms waren ze met negen tegelijk. Al naargelang de goesting, bij voorkeur op de meest onmogelijke uren. Als ik ze écht nodig had, waren ze meestal niet te bereiken, zaten ze weer op schoot bij Hugo Camps. Als ik vroeg wilde gaan slapen, stonden ze te jengelen aan de voordeur.
En dan de drank nog. Want Muzen worden niet bepaald wild van Cécémel. Porto wilden ze hebben. Of, nog beter, retsina. Omdat ze dat aan vroeger deed denken, toen ze nog hele dagen in de Griekse zon dartelden.  

Soms gingen ze met hun vlezige billen op het klavier van mijn computer zitten. Initrubgnzjnfkdscunzopxpaoi. Hier is de sleutel van de Bibelebontse berg. En maar lachen. En maar knoeien.
Wanneer ze uiteindelijk terug naar huis vertrokken, sleurden ze een sliert valse melodieën achter zich aan naar buiten. Het enige mirakel dat viel te noteren is dat de buren er nooit last van hebben gehad. De volgende middag ’s kon ik de rommel opruimen. Stof overal. En niemand die  ervoor wilde betalen.

De kleine fantasiefabriek wordt soms ambachtelijk gesleur, ik trek het niet met retoriek, mijn glimlach wordt een mondhoekscheur. Of om het met mijn eigen woorden te zeggen: het is afgelopen. Muzen hoeven zich niet langer te melden. Dit is een commerciële schrijverij, géén  bordeel voor particulieren.

Daarom ben ik nu op zoek naar drie Poolse neven, ieder van een centimeter of drie, een zwijgzaam trio dat zonder complimenten over mijn toetsenbord hiphopt. Ze moeten letters en zinnen voor mij plukken als betrof het hoogstamfruit uit Sint-Truiden. Kost en inwoon zijn voorzien. Op de vensterbank staat een blikje ansjovis klaar, afgewassen en wel, voorzien van een laag confetti uit de perforator en een sprei van oude zakdoeken. ’s Zondags gaan we eerst naar de elfurenmis, daarna naar Brussel om in een teleshop met Polen te bellen.

In ruil verwacht ik 10.000 letters per dag. Punten, komma’s en spaties inbegrepen. Dagtochten naar de printer hoeven niet te worden georganiseerd. Voor papierwerk ruk ik zelf uit. Eten of drinken tijdens de werkuren is evenwel niet toegestaan teneinde de goede werking van de letters te kunnen garanderen. Voorts is het raadzaam ramen en deuren gesloten te houden, zeker na zonsondergang. Voor je het weet zit  ik met drie Poolse neven én negen losgeslagen muzen ten kantore. En die plakboel krijg ik ’s anderdaags zeker niet verkocht.

Posted by An Olaerts at 09:13:09 | Permalink | Comments Off

Sunday, September 2, 2007

Weg met de Margriet-agenda

Paniek in huis. Moeder komt op bezoek. Ze heeft gebeld. Ze zit al in de auto. De vuilniszak in de gang moet weg. Het aanrecht plakt. Plan A, B en C tegelijk: Powerpoets. Redden wat er te redden valt. Iemand moet naar de glasbak! Wie heeft in godsnaam al die flessen wijn leeggedronken? Ruim die paperassen op. Er zit een pruik in het putje van de douche. En wie heeft die pluizen hier gelegd? De bel! De bel! Nog één ding: de nieuwe agenda klaarleggen in het zicht. Doe maar het kastje in de hal. Of de radiator in de woonkamer. Dat de agenda niet aan de aandacht ontsnapt.

Het is nog maar juist september 2007, maar voor een agenda van 2008 is dat geen bezwaar. Voor je het weet zijn we oktober en zit ik opnieuw met de agenda van Margriet opgescheept. Voor niet-ingewijden: Margriet is een Nederlands blad voor vriendinnen.  Officieel klinkt het zo: Margriet-lezeressen hebben een brede belangstelling en combineren de zorg voor hun gezin veelal met een parttime baan en hobby’s.
Let op, ik heb niets tegen de Margriet, noch tegen de vriendinnen van de Margriet. Ik heb alleen geen hobby’s en geen kinderen. Dus ook weinig belangstelling voor de besognes van de Margriet. Desalniettemin is de Margriet-agenda sinds jaren een klassieker. Omdat mijn moeder denkt dat ze mij er een plezier mee doet. Het enthousiasme is zo groot dat de agenda ieder jaar vroeger komt. Op de duur is er geen ontsnappen meer aan. Lang voor het Sinterklaas is heb ik de verrassing al uitgepakt: de agenda van Margriet.
 
Als iedereen afspraak en bezigheden opschrijft in deze handige agenda, zien u en uw huisgenoten in één oogopslag precies wie, wat en wanneer te doen heeft. Getekend, Margriet, mét een bloemetje.  Dat staat er op de achterkant. Vooraan ronkt de titel van Thuis Agenda. Eronder staat een tekening van een keukentafel met twee Tripp Trapp-stoelen in de aanslag en een vlek Blédina op de gordijnen.  
De Margriet-agenda is geschikt voor vijf gezinsleden. Iedere dag heeft vijf vakjes. Er is plaats voor keramiek, plaats voor de zwemclub, lessen clipdance, catechese, scoutskamp en pyjamaparty’s. De weken zijn versierd met bloemetjes, ballonnen en taferelen met huisdieren. In de marge staan stripverhaaltjes uit de crèche, waar ik de pointe meestal niet van snap. Komt bij dat het niet prettig is om op vergaderingen de Margriet-agenda open te slaan om te kijken of ik nog tijd heb.

Kortom, ik wil al lang van de Margriet-agenda af. Bij voorkeur zonder mijn moeder verdriet te doen. Niets is zo erg als op goede bedoelingen trappen. Mama is trouwens de liefste van allemaal. Maar mijn kop eraf als ik in 2008 nog één keer de Thuis Agenda moet bovenhalen terwijl er mensen bij zijn.
Het kan me niet schelen dat het weekoverzicht zo handig is. Efficiënt is niet hetzelfde als professioneel. Daarom roep ik in alle subtiliteit: Weg met de Margriet-agenda. Ik laat de vuilniszak in de gang staan en ik breng de flessen niet naar glasbak. De nieuwe agenda ligt in het zicht op het kastje in de hal.

Posted by An Olaerts at 21:36:43 | Permalink | No Comments »

Monday, August 27, 2007

Mijn Magistretti’s

Ooit gehoord van Vico Magistretti? Klinkt als een goochelaar met een assistente in een turnpak vol  glitters. Is hij niet. Was hij niet. Vico Magistretti is dood, 85 jaar geworden. Zijn meubelen zijn alles wat  nog overblijft. Vico Magistretti was een belangrijke architect uit Italië. Hij bedacht lampen, zetels en stoelen. En ik herken verdoeme een Magistretti als ik er één zie. In de bank zat iedereen op een Magistretti.

Zelf werd ik verzocht te wachten in een Barcelona van Mies van der Rohe. De nieuwe Trends lag op een laag tafeltje van Jean Nouvel. Ik ken mijn klassiekers. Ik weet wat iets kost. En ik weet wat van mij is. De magistretti’s, de Barcelona en de Nouvel tegelijk.
Ik zette me neer, kruiste mijn benen en liet de tip van mijn schoen nonchalant op het tafeltje rusten. Ik keek naar de bedienden die op mijn stoelen zaten. Inderdaad, mijn stoelen. Of met wiens geld denk je dat de bank boodschappen doet?  

Als ik naar de bank ga, moet ik per definitie plassen. Gewoon om te kijken hoe het met de hygiëne van mijn toiletten, mijn zeepdispensers en mijn marmeren wastafels is gesteld. Het is mijn goed recht. Voor die keer dat ik eens op bezoek ben. Ik rij dikwijls genoeg over de ring rond Leuven om te weten dat ze ’s avonds altijd vergeten het licht uit te doen in het hoofdkantoor. Afrit 17. Winksele. Mijn licht. En mijn lampen.

Ik had een afspraak voor een lening. Verstandige man, veel geduld, sympathiek voorkomen, gaf tekst en uitleg. Een poosje ging het goed. Tot ik korting wilde. Kon niet, zei hij. Omdat de bank geen winst meer maakt met leningen, zei hij. Geen, zei hij. Winst, zei hij.
Wat wilde die mij nu laten geloven! In gedachte zag ik een loketbediende in een gekke pofbroek door het kantoor flikflakken. Het was alsof ik alsnog  in de goochelshow van Vico Magistretti was beland.

Mijn economische inzichten zijn tamelijk beperkt, dat weet ik best. Maar dit was overdreven. Luister, zei ik. Ik dicteer en u tikt op de rekenmachine. Ik leen 100.000. Daarvoor betaal ik 686 euro per maand, maal 240 maanden, dat maakt hoeveel? 164.640 euro, telde hij uit. Okee, en daar trekken we de vooropgestelde 100.000 van af. Hoeveel houdt u dan nog over? 64.640 euro. Inderdaad, meer dan genoeg voor nog een kantoor vol Magistretti’s. Barcelona’s en tafels van Jean Nouvel. Dat mij niemand komt vertellen dat ik in de bank niet met mijn schoenen op de zetel mag zitten. Mijn zetel.

Posted by An Olaerts at 09:21:54 | Permalink | No Comments »

Sunday, August 19, 2007

Mijn linkeding

Er wriemelt een sliert kleuters over het trottoir, kindertjes van ouders die hun vakantiedagen er al hebben doorgejaagd. Op hun truitjes kleven gsm-nummers. Voorop lummelt een dikke jongen met dons op zijn wangen, achteraan lummelen twee magere moni’s met een bolderkar. Dit is speelpleinwerking Bonanza, alle dagen van 9 tot 16 uur, met extra opvang vanaf 7.30 uur. Het is een zegen voor de economie.

Maar ineens stokt de sliert. Geen gewriemel meer op het trottoir. Er is een Pokémon gevallen. Die moet met onmiddellijke ingang worden gerecupereerd. Het betreft Bulbasaur. Onkundigen gelieve zich te wenden tot de Pokédex. Er zijn 251 soorten Pokémon. Bulbasaur draagt sinds zijn geboorte een zaad van een plant op zijn rug. Het zaad ontwikkelt zich langzaam. Biologen zijn er nog niet over uit of ze Bulbasaur bij de planten of de dieren moeten indelen. Bulbasaur is extreem sterk en erg moeilijk te vangen in het wild. Om maar te zeggen Bulbasaur staat goed in je verzameling. De ukkepukken op de stoep weten waarom. Vroeger waren het prentjes van voetballers, daarna kwamen de popsterren en de Troetelberen. Nu is er Pokémon en LinkedIn.

LinkedIn is een online netwerk van twaalf miljoen experienced professionals. Kortom, verzamelen geblazen. Ik heb elf LinkedIn contacten, stuk voor stuk dikke vissen. Alleen het aantal is een beetje aan de magere kant, zeker in vergelijking met sommige van mijn contacten. Die zitten al aan meer dan vijftig. Echte verzamelaars hebben honderden professionele profielen in stock, uit allerlei interesting industries bovendien. Mijn titel moet nochtans niet onderdoen voor die van Bulbasaur. Ik ben een independent writing en editing professional met een snelheid van twee aanslagen per seconde.

Je zou denken dat iedereen mij wil linken. Maar nee. Meestal moet ik zelf zeuren voor een connection. Om nog te zwijgen over de recommendations. Die heb ik al helemaal niet. En profielen ruilen durf ik niet. Omdat ik één geen dubbels heb en twéé mijn schamele contacten niet wil affronteren. Voorlopig stel ik het dus zonder project manager, information architect of account executive.

Mijn LinkedIn-verzameling heeft weg van een halfopgevreten album met een dozijn zeer gelijkaardige sigarenbandjes. Daarom dat ik tegenwoordig vrienden en kennissen aanspreek om ook bij LinkedIn te komen. Zeker als ze een chique profiel hebben. Helaas wordt dit meestal op hoongelach onthaald. “Independent writing and editing professional, hahahaaa, en staat er ook bij dat die professional rondrijdt in een vuile Fiesta met 200.000 kilometer op de teller? Wat zijt ge trouwens met al die contacten?” Zo gaat dat dan. Of: “Waarom moet ik op dat linkeding van u? Ge kent mij toch al.” Of: “Hoe heet dat juist? Pinkel, pinkel? Het lijkt wel een kabouteravontuur.” Het is om wanhopig van te worden. Sommige mensen hebben gewoon geen verstand van verzamelingen. Elf armoedige contacten in een totaal van twaalf miljoen online professionals, plus één Pokémon op de stoep, voor woorden is het te treurig.

Posted by An Olaerts at 16:46:47 | Permalink | No Comments »